Een trappelzak met witte V

De transferwindow in het amateurvoetbal ligt inmiddels al weer ver achter ons en hoewel het bij de Sneker clubs door de bank genomen wel meeviel, doet het lijstje met spelers, dat van club veranderde, hier en daar toch de wenkbrauwen fronsen. Clubliefde is blijkbaar een uitstervend iets en wordt meer en meer een zeldzaamheid. Spelers wisselen sneller van club dan van onderbroek. Toch zijn er nog uitzonderingen op die regel en tref je hier en daar nog spelers, die een leven lang dezelfde club trouw blijven. Die met die club opstaan en er mee naar bed gaan.

Zo heb je bij Black Boys al decennia lang de De Vries-dynastie met eerst opa Sietse en later Wiepie en Kees. En nu zijn het hun nazaten die het eerste elftal bemensen. Nazaten die direct na hun geboorte – al is in de webshop van de club alleen slabbetje met clublogo verkrijgbaar – in een zwarte trappelzak met witte V zijn gehesen. Die behoudens een heel klein vergissinkje zo halverwege hun carrière nimmer een ander shirt droegen dan om met stadsdichter Henk van der Veer te spreken “dat kostlek moaie swarte shirt met dy groate witte V foar op ut burst”.

Erwin (32), Nicky (31) en Sander (35) ademen Black Boys vanuit al hun poriën en dat van hun kleine teen tot de top van hun met gel gestileerde haardos. Resp. dertien, veertien en veertien seizoenen lid van het keurkorps der Zwartjes en aan de vooravond van resp. seizoen veertien, vijftien en vijftien. De cijfers van de drie zijn meer dan indrukwekkend. Erwin speelde – zeker als je beker- en oefenduels meerekent – meer dan driehonderd wedstrijden voor het eerste van Black Boys en wist daarin 247 keer het net te doen trillen. Het aantal wedstrijden dat Nicky in de hoofdmacht opdraafde, ligt in dezelfde orde van grootte, alleen ligt zijn productie als middenvelder met ruim veertig treffers vanzelfsprekend een stuk lager. Het aantal wedstrijden dat doelman Sander, die de laatste seizoenen een stapje terug deed en als derde keeper, fungeerde, zal dat van Erwin en Nicky nauwelijks ontlopen en misschien wel overstijgen.

Die aantallen kwamen tot stand in seizoenen, die in het begin vooral in het teken stonden van overleven en de niet aflatende strijd van de club en zijn leden om het eeuwige bestaan. Die strijd speelde zich in de beginjaren voornamelijk af in het voorportaal van de kelder van het voetbal en toen Black Boys vervolgens afdaalde naar de donkerste spelonken, besloten Erwin en Nicky hun geluk elders te zoeken. Uit die vlucht uit de diepste grot van het voetbal ontstond echter geen gelukkig huwelijk en na één seizoen keerden beide al weer terug in de zwarte moederschoot,

In het warme bad van toen nog het sportpark Noorderhoek groeide meteen ook iets moois en vond Black Boys de weg omhoog. De volgende stap zou echter een aantal seizoenen op zich laten wachten, want hoewel met enige regelmaat een periodetitel werd binnen gesleept en Black Boys vaak tot het laatst meestreed om dé prijs, bleek de volgende trede steeds net te hoog. Tot het seizoen 2013-2014, toen na een bloedstollende apotheose in de Fryske Wâlden en een strijd om letterlijk elke meter grond eindelijk het verloren gegane terrein werd heroverd. Die stap vormde de ultieme beloning voor onnoemelijk veel arbeid, zeg maar gerust voor veel bloed, zweet en tranen. En die laatsten, bijna zwart van kleur, vloeiden op die prachtige middag in mei 2014 dan ook rijkelijk bij de leden van de dynastie.

Rijk zijn ongetwijfeld ook de verhalen die de drie over al die seizoenen in het zwarte shirt met die grote witte V kunnen vertellen. Over de trainers, zoals Eelke van Netten, de kleurrijke Gerrie Hofstra, oer WPB-er Richard “Blokje” de Jong en de succesvolle Jan Willem Stoelwinder om er een paar te noemen. En over medespelers, die in al die seizoenen voor kortere en sommige voor langere tijd hun ploeggenoten waren. Over de soms en in één geval te pijnlijke neergang en vervolgens het voetballen op veldjes tegen tegenstanders, waarvan velen onder ons het bestaan niet eens weten. Over de seizoenen, dat het weer net niet lukte en over de moed die ze moesten verzamelen om het seizoen daarop weer opnieuw met frisse moed te beginnen. Maar ook over de spaarzame successen die toch moeten hebben gevoeld als het winnen van de Champions League. Die verhalen vormen samen een onschatbare rijkdom en die rijkdom is toch niet in de laatste plaats te danken aan hun niet aflatende clubliefde, Clubliefde die weliswaar vanaf de geboorte met de paplepel naar binnen is gegoten, maar die niettemin veel, zo niet alle respect verdient.

ja, ze bestaan dus nog. Spelers die hun club trouw blijven en dat een leven lang. Spelers zoals de De Vriesen die gelukkig vaker van boxershort wisselen dan van club en die hun eigen nazaten ongetwijfeld ook weer in een zwarte trappelzak met witte V hebben gehesen.